Theologie

Herinnering aan leven en werk van Ds. Kees Verhoog

Ds Theo Korteweg, vriend en bij leven collega van Ds C.A. Verhoog deelde in juni 2018 zijn herinneringen over zijn ambtsgenoot. Een verslag van dit gesprek biedt zowel historisch als persoonlijk achtergrond bij het werkende leven van ds Verhoog, met name het deel dat zich in Friesland afspeelde.

Ds Theo Korteweg herinnert zich zijn peremptoir examen in Franeker als de eerste ontmoeting met dominee Kees Verhoog. Predikanten uit de classis, het verband van kerken in de omgeving, waren samengekomen om hem te bevragen over verschillende onderdelen van de theologische opleiding: het Oude en Nieuwe Testament, dogmatiek, ethiek, enzovoorts. Naar zijn herinnering deed Kees de homiletiek. Dat vakgebied lag in ieder geval voor de hand, want op verschillende plekken in zijn verhaal staat ds Korteweg in bewondering stil bij de preken van zijn vriend en collega Verhoog. Hij weet ook nog dat ds Verhoog hem opbelde om het examen, zoals gebruikelijk was, van te voren door te spreken. Ds Verhoog was erg benieuwd naar het motief van Korteweg om naar Tzumte gaan: ‘En wat zoek je daar dan? Je zult hier wel veel religie aantreffen.’

De term religie legt een belangrijke ader in de levensbeschouwing van ds Verhoog bloot. Op het eerste gezicht lijkt de negatieve bijklank van dat woord voor dominees wat vreemd. Achter die religie schuilt echter de kreet van de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968): Religion ist Unglaube. Barth stelde God voor als een inbrekende kracht in het mensenleven, waar de mens met vrome beredeneringen vat op probeert te krijgen. Het Evangelie staat volgens Barth echter haaks op die vrome gedachten. God was daar aanwezig, waar er tegen het noodlot werd gerebelleerd, aldus Barth. Dit bracht een hernieuwd orthodox élan terug in de protestantste kerk.

In Nederland werd Barth onder gereformeerden in eerste instantie gewantrouwd. Hij heette ‘tegen de christelijke organisaties’ te zijn. De radicaliteit van de Barthiaanse heilsboodschap bood inderdaad geen ruimte voor de zwaar georganiseerde, en dus ‘afgeschermde’ gereformeerde zuil. Zijn ‘neo-orthodoxie’sloeg echter bij bepaalde theologen aan. Met name Frans Breukelman en Heiko Miskotte waren bekende namen in wat later de ‘Amsterdamse School’ zou gaan heten. Kees Verhoog kwam met beiden in aanraking gedurende zijn studie en werkend leven. Met Breukelman had hij de hechtste band: Frans was immers zijn zwager.

Centraal bij Breukelman stond het ‘inbreken’ van het Evangelie in de huidige situatie. Het Woord van God geldt nu even zwaar alstoen het aan het volk Israël werd geopenbaard. Rond een aantal Bijbelse kernwoorden werd teksten uit de Schrift dan direct toegepast op het leven van alledag. Breukelman opereerde dan ook vanuit een groot vertrouwen in de Bijbel, waarvan hij meende dat als ‘geïnspireerd boek’ geen woord op de verkeerde plek stond. Tegen de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap in 1951 was hij dan ook fel gekant. Zelf bleef hij de Statenvertaling gebruiken. Daar schemerde het Hebreeuws nog door het Nederlands heen.

“Jullie krijgen een Barthiaanse dominee”

 

Ds Breukelman over zijn collega ds Kees Verhoog bij intreden in Winsum

Vanuit die gedachte verdiepte Breukelman zich ook erg in de Joodse filosoof Martin Buber. Buber maakte een ‘verduitsing’ van de vijf Torah-boeken, met een poëtische getrouwheid aan de Hebreeuwse grondtekst. Iets soortgelijks had de Societas Hebraica in Amsterdam in het kielzog van Breukelman voor ogen.

Het was daarom ook niet zonder zijn karakteristieke provocatieve stelligheid dat Breukelman in Winsum, toen Kees Verhoog daar in 1959 aantrad,de gemeente meedeelde dat zij een ‘Barthiaanse dominee’ kreeg. Opvallend was wel het verschil in achtergrond van Barth enerzijds en Breukelman anderzijds. Barths theologie voelde voor velen als een bevrijding uit een ouderwets en orthodox keurslijf. Zelf kwam Breukelman echter helemaal niet uit behoudende sferen. Vanuit huis was hij Remonstrant, en studeerde theologie in het vrijzinnige Leiden.

Kees Verhoog had een gematigd hervormde vader uit de ethische richting, en een stellig gereformeerde moeder. Die stelligheid deed de klepel in de studiekeuze van Kees uiteindelijk doorslaan naar de gereformeerde VU (Vrije Universiteit), waar zij sterk de voorkeur aan gaf. Breukelman opperde echter het hervormde Leiden. Theo Korteweg zelf was in beide faculteiten actief. Als student in Leiden, maar later als nieuwtestamenticus in Amsterdam.

Amsterdam en Leiden waren op dat moment de thuisbases van in zekere zin tegengestelde visies. Leiden was een hervormd, en in vroeger jaren  vrijzinnig bastion. De geldende praktijk was die van de historisch-kritische exegese. Onder het historische patina en pogingen van schriftgeleerden om het ongerijmde weg te schrijven bevond zich de geloofswereld van het oude Israël. Die wereld was antiek, bij tijden primitief, maar wel de historische context van Gods omgang met Zijn volk. Door het toepassen van de methoden uit taalwetenschap en geschiedenis kon dat authentieke geloof herontdekt, en zo weer beleefd worden. Amsterdam daarentegen was gereformeerd, en de traditioneel-orthodoxe interpretaties van Calvijn en ‘Abraham de Geweldige’ Kuyper stonden daar nog in hoog aanzien.

Door de Leidse exegese verlieten cohorten dominees de universiteit met een ruim historisch besef, wat zich lang niet altijd eenvoudig liet vertalen in preken en algemene omgang met de, voor het merendeel niet academisch geschoolde, gemeente. Barth en Breukelman boden met hun directe toepassing van het Evangelie een mooie uitkomst, en raakten mede daarom erg in zwang. Korteweg herinnert zich hoe aan de Herengracht in Amsterdam, het theologisch instituut van de UvA, de private colleges van Breukelman ook door studenten aan de VU werden opgenomen op cassettebandjes. Op de eerste verdieping van het gebouw hoorde hij het gestampvoet van Breukelman en zijn volgelingen, die zich op de zolderverdieping opwonden over de historisch-kritische benadering.

Kenmerkend voorde Amsterdamse school was verder een politieke dimensie. Met de radicaliteit van het evangelie ging een vorm van activisme gepaard die zich richtte naar socialistische sferen. Vanuit de‘doorbraakgedachte’ stemden Breukelman en Miskotte op de Partij van de Arbeid. Of ds Verhoog daar in mee ging, weet Theo Korteweg niet. Hij gaf aan dat voor Kees de politiek niet van groot belang was, al probeerde hij zijn preken wel altijd met de actualiteit te verknopen.

“Het doel is om de preken van binnenuit levend te maken”

De Barthiaanse aanpak onder de preken van ds Verhoog.

Die preken moesten dus de blijvende kracht van het Evangelie laten zien. Het doel was om de preken van binnenuit levend te maken, met exegese en uitleg. De kernwoorden en thema’s die opkwamen uit de bijbelteksten trok hij dan door tot tastbare, levende woorden. Daar nam hij ruim de tijd voor. Zijn vrouw herinnerde hem ooit: ‘Denk je eraan dat de mensen ook nog naar huis willen?’. Maar dat naar huis willen viel volgens Korteweg nog wel mee. Ds Verhoog sprak met een concreetheid en nabijheid waarmee hij veel mensen voor zich won. Op de ontdekkingsreizen die hij in het Evangelie ondernam, wist hij de gemeente gebiologeerd mee te nemen. Het zou kunnen dat niet iedereen altijd alles begreep, geeft Korteweg aan. Maar hij herinnert zich ook een anekdote vaneen schilder uit Tzummarum over Ds J. Schelhaas. Diens taal was, aldus de schilder, ‘niet onze taal. Maar je leerde wel. De dominees van nu praten net als wij, maar daar leer je ook niets meer van’. Iets soortgelijks gold voor ds Verhoog ook.

Deze aantrekkingskracht was aan Verhoog eigen, en onderscheidde hem van bijvoorbeeld Miskotte en Breukelman. Hoewel de laatste twee ideologisch op één lijn zaten, voelden de zich in elkaars aanwezigheid niet op hun gemak. ‘Als Breukelman op het station Miskotte trof, dan maakte hij een extra blokje om’, zo vertelt ds Korteweg. Breukelman kon fel van leer trekken tegen gedachten of mensen die hem niet zinden. In Friesland deed hij dat tijdens bijeenkomsten in Finkum. Breukelman had daar een zomerhuis, en georganiseerd door Kees Verhoog vonden daar samenkomsten plaats van gelijkgestemde dominees.

Breukelman kon daar, vanuit het belang van ieder woord, een vertoog houden over een kernwoord dat hij ergens had aangetroffen. Zo ook opeen avond in de pastorie aan de Zilverstraat in Franeker, toen hij zich uitliet over een passage uit Mattheus (20:20), waarin de Evangelist spreekt over ‘de moeder van de zonen van Zebedeüs’. Lucas en Marcus houden het op ‘vrouw’. Met pijp in de mond stak hij dan van wal over de bijzondere bedoeling die Mattheus hiermee moet hebben gehad. Jan Sap, laatstelijk dominee te Holwerd, viel vol bewondering bij met iets als ‘Frans, wat snijd je toch dikke plakken voor ons’. Korteweg voelde zich toch ‘een soort Leidse horzel’, en waagde het een kanttekening te maken. Dat viel niet in goede aarde. Vanaf dat moment stond hij bij Breukelman op de zwarte lijst.

Die afkeuring van Breukelman werd alom gevreesd en vermeden. Soms wekte hij de indruk dat hij je een duw zou geven, en uit sommige verhalen bleek deze angst niet ongegrond. Ook Korteweg kreeg er mee te maken. Toen ds Verhoog 25 jaar dominee was, organiseerde men in Franeker voor hem een symposium, waarvoor men van collega’s om deelname vroeg. Zowel Korteweg als Breukelman hoorden tot de genodigden. Breukelman weigerde echter bij te dragen zolang ds Korteweg ook een praatje zou houden. Korteweg bood Kees Verhoog toen aan zich terug te trekken, wetende dat de allure van Breukelman groter was dan die van hem. Dit zag Kees Verhoog echter niet zitten: hij stond erop dat Korteweg zijn verhaal zou houden. Frans Breukelman was wel aanwezig op het symposium,maar heeft niets gezegd.

In de tijd van ds Verhoog tijd in Franeker telde de stad bijna drieduizend gereformeerden. Er waren ’s ochtends twee diensten, om negen en om elf uur. De kerk zat dan twee keer vol. ’s Middags volgde er dan vaak nog een preek overéén van de zondagsafdelingen van de Heidelbergse catechismus. Naast het gereformeerde, het christelijk gereformeerde en het vrij-evangelische kerkgebouw was Franeker goed voor een hervormd en een vrijgemaakt-gereformeerd gebouw. Tegenwoordig staat het gereformeerde kerkgebouw leeg en worden ook de andere steeds schaarser bezocht. Er is sinds toen heel veel weggevallen, vertelt Korteweg zuchtend. De vanzelfsprekendheid en alomtegenwoordigheid van het geloof verdween steeds meer uit de samenleving. De jongeren van de jaren ’80 wilde duidelijkheid en houvast, juist niet de bevrijding die Barth hen te bieden had. De beklemmende rechtzinnigheid, waaruit de neo-orthodoxie een bevrijding vormde, hadden zij nooit meegemaakt.

In de beginjaren was van deze ontkerkelijking echter nog weinig te merken. Na het slagen van zijn examen kon Korteweg intreden als dominee in Tzum. Bij die dienst zat de kerk stampvol, zo herinnerde hij zich:er stonden zelfs stoelen in het middenpad. Hij heeft het beeld van Kees nog voor de geest, gezeten op een van die bijgezette stoelen, alles aandachtig in zich opnemend.

Met Miskotte had Verhoog geen persoonlijk contact zoals met Breukelman. Toch was zijn bewondering voor hem groot. Korteweg, die, net als Kees’ vrouw Annet (Anna Cornelia Verhoog) zich wel interesseerde voor politiek, memoreert discussies met haar in de huiskamer. Kees zat dan boven in zijn studeerkamer een boek te lezen. Soms kwam hij dan daar beneden, met een boek van Miskotte in de hand aankondigend dat hij weer iets prachtigs had gevonden. Na dit te hebben voorgedragen, draaide hij zich dan weer naar boven om.

Annet Verhoog kon beter met Breukelman opschieten dan Korteweg.Na bijeenkomsten met collega’s sprak Korteweg soms aan tafel met Kees en Annet daarover na. Hij kon dan kritisch uit de hoek komen over Breukelman. Kees vond die kritiek wel grappig. Met zijn toneeltalent kon hij zich te veel inleven in beide rollen om echt partijgenoot te worden van de zo uitgesproken Breukelman. Annet zei dan vaak: ‘Maar hij heeft toch ook wel wat goeds gezegd’, en nam het voor Frans op. Bij haar ziekbed was Breukelman dan ook aanwezig; hij droeg het oude calvinistische avondmaalsformulier voor, dat hij speciaal meegenomen had.

Omdat Kees meer inlevingsvermogen had dan Breukelman, had hij meer oog voor de gedachten van andere mensen. Hij vond het interessant andersdenkenden te beluisteren. Al snel schiep hij zo een voetstuk voor andere mensen, ook voor Korteweg, die hij zeer bewonderde. De keerzijde hiervan was dat hij soms dacht het zelf niet goed te hebben gedaan. ‘Ik kan het allemaal niet overzien’, zei hij dan. Korteweg sprak hem tegen: ‘dan wilde hij doen alsof hij het niet kon bevatten’. De gevoelens van minderwaardigheid waren soms gespeeld, maar volgens Korteweg niet altijd. In ieder geval waren ze volgens hem nooit op zijn plaats.

Hoewel hij zijn preken verzorgde met de spontane bezieling die hem eigen was, improviseerde hij nooit. Zijn preken schreef hij altijd volledig uit, op aanraden van een hoogleraar aan de VU. Voorlezen deed hij echter ook niet. Mogelijk heeft zijn vroege voorliefde voor toneel bijgedragen aan de boeiende voordracht.

“Hij kwam soms, maar bleef lang”

Het persoonlijk gedreven pastoraat van ds Verhoog

Pastoraal gezien was Kees betrokken, maar niet gestructureerd; hij kwam soms, maar bleef lang. Eén van zijn collega’s werkte in ordelijk patroon de huizen langs, en blokten twintig minuten per gesprek in zijn agenda. De gesprekken van Kees liepen altijd uit, waardoor hij niet de kans kreeg bij iedereen langs te gaan. Op een zeker moment vermeed hij het om door de straten te fietsen, zodat hij niet iemand zou tegenkomen, waarvan hij dacht ‘ook daar had ik al lang naar toe gemoeten’.

Ook zijn creativiteit speelde hem soms parten. Op zoek naar een aanknopingspunt voor het Evangelie in het leven van alledag kwam hij uit opeen bepaald kernwoord uit de tekst; een Hebreeuwse werkwoordstam die hij vervolgens naar het heden probeerde te brengen. Dan wilde hij het ‘te mooi’, vond Kortweg, en werd het wat ongrijpbaar. ‘Sommigen herkenden te weinig de eigen kerktaal van hun jeugd’, en zij haakten dan af.

Korteweg schetst ter afsluiting een rode draad door het theologische denken van ds Verhoog. Samen met de Barthianen had hij weinig op met de oude zekerheden. Hij had een andere insteek dan de piëtistische gelovigheid die daarvoor vaak de norm was. Wel was hij heel serieus, een opmerking als ‘dat heeft allemaal zijn tijd gehad’ kwam hem zijn hele carrière  niet over de lippen. Hij wilde juist het bijbelse gehalte opnieuw onderstrepen, maar viel hierbij nooit terug op de oude leerstelligheid die werd gestaafd met bijbelse citaten.

Zijn verhuizing naar Antwerpen bracht beroering met zich mee,ten dele ook op theologisch vlak. In België raakte hij los van de strikt protestantse wereld, en kwam hij ook met het rooms-katholieke geloof in aanraking. Maar ook daar toonde zich de constante factor van zijn geloof. Hij was geïnteresseerd inde Benedictijner broeders van Chevetogne, maar eenmaal daar liet hij de Byzantijnse liturgie niet zomaar over zich heen komen. In de banken bleef hij kritisch kijken naar de bladzijden in het missaal; hier was hij toch een kat in een vreemd pakhuis. Niet veroordelend, maar wel overtuigd van de boodschap waar hij zijn creativiteit, talent voor organisatie en begeestering in kwijt kon.

Daarmee eindigt op een woensdagmiddag in Ferwert een gesprek met ds Theo Korteweg, oud-collega van ds Verhoog. Als afsluiting haalt hij uit het gereformeerde kerkelijk jaarboek van zolder het overlijdensbericht van 14 januari 1996. Met ontroering in zijn stem leest hij de vriendschappelijke volzinnen van het papier voor; een voortlevende herinnering aan zijn collega en vriend.