Theo Korteweg over Kees Verhoog: herinneringen aan zijn leven en werken

Theo Korteweg herinnert zich zijn peremptoir examen in Tzum als de eerste ontmoeting met dominee Kees Verhoog. Predikanten uit de classis, het verband van dominees beroepen in de omgeving, waren samengekomen om hem te bevragen over verschillende onderdelen van de Theologische opleiding: het Oude en Nieuwe Testament, dogmatiek, ethiek, enzovoorts. Naar zijn herinnering deed Kees de homiletiek. Dat vakgebied lag in ieder geval voor de hand, want op verschillende plekken in zijn verhaal staat ds. Korteweg in bewondering stil bij de preken van zijn vriend en collega Verhoog. Hij weet ook nog dat ds. Verhoog hem opbelde om het examen, zoals gebruikelijk was, door te spreken. Ds. Verhoog was erg benieuwd naar de beroeping van Korteweg in Tzum: ‘En wat zoek je daar dan? Je zult hier wel veel religie aantreffen.’

De term religie legt een belangrijke ader in de levensbeschouwing van ds. Verhoog bloot. Op het eerste gezicht lijkt de negatieve bijklank van dat woord voor dominees wat vreemd. Achter die religie schuilt echter de kreet van de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968): Religion ist Unglaube. Barth stelde God voor als een inbrekende kracht in het mensenleven, waar men met vrome gedachten vat op probeert te krijgen. Het Evangelie staat volgens Barth echter haaks op dat te weinig doorleefde piëtisme. God was daar aanwezig, waar er tegen het noodlot werd gerebelleerd, aldus Barth. Dit bracht een hernieuwde ijver en orthodoxie terug in de protestantste kerk.

In Nederland werd Barth onder gereformeerden  in eerste instantie gewantrouwd. Hij heette ‘tegen de christelijke organisaties’ te zijn. De radicaliteit van de Barthiaanse heilsboodschap bood inderdaad geen ruimte voor de zwaar georganiseerde, en dus ‘afsgeschermde’ Gereformeerde Zuil. Zijn  ‘neo-orthodoxie’ sloeg echter bij bepaalde theologen aan. Met name Frans Breukelman en Kornelis Miskotte waren bekende namen in deze ‘Amsterdamse School’.  Kees Verhoog kwam met beiden in aanraking gedurende zijn studie en werkend leven. Met Breukelman had hij de meest hechte band: Frans was immers zijn zwager. 

Centraal bij Breukelman stond het ‘inbreken’ van het Evangelie in de huidige situatie. Het Woord van God geldt nu even zwaar als toen het aan het volk Israël werd geopenbaard. Rond een aantal Bijbelse kernwoorden werd teksten uit de Schrift dan direct toegepast op het leven van alledag. Breukelman opereerde dan ook vanuit een groot vertrouwen in de Bijbel, waarvan hij meende dat  als ‘geïnspireerd boek’ geen woord op de verkeerde plek stond. Tegen de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap in 1951 was hij dan ook fel gekant. Zelf bleef hij de Statenvertaling gebruiken. Daar schemerde het Hebreeuws nog door het Nederlands heen.

Vanuit die gedachte verdiepte Breukelman zich ook erg in de Joodse filosoof Martin Buber. Buber maakte een ‘verduitsing’ van de vijf Torah-boeken, met een poëtische getrouwheid aan de Hebreeuwse grondtekst. Iets soortgelijks had de Societas Hebraica in Amsterdam onder Breukelman voor ogen. 

Het was daarom ook niet zonder de karakteristieke provocatie en stelligheid van Breukleman dat hij in Winsum, toen Kees Verhoog daar in 1959 aantrad, de gemeente meedeelde dat zij een ‘Barthiaanse dominee’ kregen.  Opvallend was wel het verschil in achtergrond van Barth enerzijds en Breukelman anderzijds. Barths theologie voelde voor velen als een bevrijding uit een ouderwets en orthodox keurslijf. Zelf kwam Breukelman namelijk helemaal niet uit behoudende sferen. Vanuit huis was hij Remonstrant, en studeerde theologie aan het meer vrijzinnige Leiden. 

Kees Verhoog had een gematigd hervormde vader, en een stellig gereformeerde moeder. Die stelligheid deed de klepel in de studiekeuze van Kees uiteindelijk doorslaan naar de gereformeerde VU, waar zij sterk de voorkeur aan gaf. Breukelman opperde echter het Hervormde Leiden.  Theo Korteweg zelf was op beide Faculteiten actief. Als student in Leiden, maar later als oudtestamenticus in Amsterdam. 

Kenmerkend voorde Amsterdamse school was verder een politieke dimensie. Met de radicaliteit van het evangelie ging een vorm van activisme gepaard die zich richtte naar socialistische sferen. Vanuit de ‘doorbraakgedachte’ stemden Breukelman en Miskotte op de Partij van de Arbeid. Of ds. Verhoog daar in mee ging, weet Theo Korteweg. Hij gaf aan dat voor Kees de politiek niet van groot belang was, al probeerde hij zijn preken wel altijd in de actualiteit te verknopen. 

Die preken moesten dus de blijvende kracht van het Evangelie laten zien. Het doel was om de preken van binnenuit levend te maken, met exegese en uitleg. De kernwoorden en thema’s die opkwamen uit de Bijbelteksten trok hij dan door tot tastbare, levende woorden. Daar nam hij ruim de tijd voor. Zijn moeder herinnerde hem ooit: ‘Denk je eraan dat de mensen ook nog naar huis willen?’. Maar dat naar huis willen viel volgens Korteweg nog wel mee. Ds. Verhoog sprak met een innemendheid en nabijheid waar hij veel mensen voor zich mee won. Op de ontdekkingsreizen die hij in het Evangelie ondernam, wist hij de gemeente gebiologeerd mee te nemen. Het zou kunnen dat niet iedereen altijd alles begreep, geeft Korteweg aan. Maar hij herinnert zich ook een anekdote van een schilder uit Tzumarrum over Ds. J. Schelhaas. Diens taal was, aldus de schilder, ‘niet onze taal. Maar je leerde er wel van. De dominees van nu praten ent als wij, maar daar leer je ook niets meer van’. Iets soortgelijks gold voor ds. Verhoog ook.